‘Wie denk jij dat je bent?’ (Een prettig gesprek met Sander Schimmelpenninck)
De schrijver Kevin van Vliet ontmoet een succesvol media-ondernemer voor een lunch in Amsterdam
Op bezoek in Amsterdam ben ik door mijn chef bij de bankierskrant gevraagd of ik niet eens wil dineren met een boeiende persoonlijkheid die relevant is voor ons lezerspubliek, bij wijze van interview. Het is zomer in Nederland, zowat de hele vaste redactie is vakantievieren en mijn chef is onthand. Hij maakt een afgetrokken, uitgebluste indruk.
Het aanbod sla ik niet meteen af, omdat de rubriek gerenommeerd is en verschijnt in de veelgelezen zaterdagkrant. Ik kan het honorarium bovendien goed gebruiken.
‘Mag het ook een lunch zijn?’ wil ik weten. (Ik mag mezelf van de dokter even niet in de verleiding van alcohol brengen, wat voor dit verhaal verder niet relevant is.) Dat mag, zolang het maar geen ontbijt is, en de ontmoeting in het uitgeschreven interview op een avondmaaltijd lijkt, want “lunch” rijmt niet op de titel van de krant en “diner” wel.
Ik wijs de chef op mijn afstand tot de Nederlandse interessesfeer – een beperking van wie vertrekt uit Nederland en lang wegblijft – maar het hindert niet: er heeft al een kandidaat toegezegd, en met een frisse blik kan de interviewer te werk gaan zonder aanzien des persoons. ‘Gewoon je huiswerk doen en dat bandje uittikken. Het mag wat kosten, bon bewaren.’
Sander Schimmelpenninck (Hengelo, 1984) studeerde rechten in Rotterdam, werkte als advocaat-stagiair in het financiële district van Amsterdam voordat hij horeca-exploitant werd en zich als leerling-journalist snel opwerkte tot hoofdredacteur van een populair zakenblad, en, niet gehinderd door enige charme, op televisie belandde als presentator van een prominent praatprogramma van de publieke omroep. Hij schrijft boeken en columns over mens en maatschappij (de columns verschijnen wekelijks in de krant van weldenkend Nederland), en verblijft de ene helft van het jaar in Amsterdam, en de andere in Götenborg bij zijn Zweedse vriendin, met wie hij twee kinderen heeft.
Als hij Jan Pellenboer of Frank Hek had geheten, dan zou Sander Schimmelpenninck gewoon een zoveelst uitvloeisel zijn geweest van de Hollandse ondernemersgeest, maar in elk interview komt die ene bijzonderheid weer ter sprake: zijn afkomst, die hem dwars lijkt te zitten.
Schimmelpenninck is telg uit een in 1834 tot de adelstand verheven rentmeestersgeslacht – één van de 280 nog niet uitgestorven adelfamilies van Nederland – en hij voert de titel van graaf. Sinds de Provinciewet in 1850 een einde maakte aan de staatsrechtelijke bevoorrechting der edelen heeft de aristocratie weinig meer te vertellen in ons land, dus heb je als graaf, baron en jonkheer hooguit nog toegang tot exotische feestjes, maar moet je bij de tandarts wel het dubbele betalen. Niet wat je noemt een benijdenswaardig lot.
Wat ook bij herhaling opduikt in m’n vooronderzoek: Schimmelpennincks lengte (lichaamslengte), die overigens per interview verschilt, fluctuerend tussen 1 meter 75 en 1 meter 78. Soms heeft-ie wel een Napoleoncomplex, dan ineens weer niet. Als tegemoetkoming zal ik een schoen zonder hak en met lage zool dragen.
Eigenlijk zijn we in veel opzichten hetzelfde. Beiden provinciejongens, geneigd om het eigen welslagen met terugwerkende kracht te relativeren en te bagatelliseren in het immer oordelend oog van de buitenwereld. Andere gemeenschappelijkheden: hij bezoekt Kaapstad graag, ik woon er; hij ontmoette zijn vriendin op de Tafelberg, ik maakte de klim een paar weken geleden nog. Hij schrijft boeken, ik schrijf boeken, hij journalist, ik journalist – hij emigré, ik emigré.
In mijn grenzeloze naïviteit, die nog eens mijn dood wordt, kan ik niet bevroeden dat ik op het punt sta de grootste fout in mijn journalistieke loopbaan te begaan.
Ik ga meteen de mist in door een tafel met zicht op het Muntplein te boeken in het restaurant van Hotel de l’Europe (***). Schimmelpenninck mailt terug: De gast kiest, dat is juist de essentie van die rubriek. Je leest toch wel je eigen krant mag ik hopen.
We gaan pizza eten.
Door onzorgvuldigheid in de voorbereiding arriveer ik op het afgesproken tijdstip in een speeltuin in Amsterdam-Oost. Als ware hij helderziend belt mijn subject. Waar blijf ik? Achter mij een doffe knal en gruwelijk gekrijs. ‘Wacht even, hoor, er flikkert hier een kind van de wipwap,’ zeg ik, en loop naar een rustiger plek, waar ik Schimmelpenninck op de luidspreker zet zodat ik route-aanwijzingen kan noteren, en zie dat de batterij van m’n telefoon haast leeg is.
Vijftig minuten later bereik ik, nat van het zweet, het terras van Europizza in Amsterdam-Noord. Geen Schimmelpenninck. Binnen alles Amsterdams: open plafond met loshangende kabels, alles wit geschilderd (ook de schroeven en de bouten), en afgeladen met naoorlogs schoolmeubilair ontworpen om knie, hiel en elleboog te verbrijzelen.
Sander Schimmelpenninck, een jaloersmakend gemanicuurde verschijning, zit voor een lege kop koffie door zijn telefoon te scrollen. Hij is niet blij mij te zien. Ik stel mij voor bij mijn voornaam, waar zijn humeur niet van opknapt.
‘Laten we gelijk beginnen,’ zeg ik, niettemin opgewekt, en leg mijn aantekeningen voor mij op tafel.
‘Gelijk,’ zegt Schimmelpenninck, en ik zie hem een frons op zijn gelaat aanbrengen.
‘Wat?’
‘Je zei “gelijk”. Typisch. Dat is een germanisme. Gleich. Je bedoelt te zeggen: onmiddellijk, of direct.’
‘Het zal wel,’ denk ik, en zeg het maar niet, en word gered door de eigenaar van het restaurant, die Schimmelpenninck goed blijkt te kennen. Hij komt vragen of hij ons wat te drinken kan inschenken.
‘Heeft u alstubliéft wat water,’ vraag ik, aardig uitgeput door de sprint vanaf de veerpont. ‘Dood of levend, maakt mij niet uit.’
Schimmelpenninck trekt een wenkbrauw op, en werpt een triomfantelijke glimlach richting de eigenaar. ‘Bruis, graag. Met een schijfje citroen.’
‘Wat is de aanleiding?’ vraagt Schimmelpenninck en hij wendt zich naar mij, en tuit daarbij zijn lippen, en brengt zijn vingertoppen samen onder zijn kin. De wijsvingers duwen tegen zijn onderlip.
‘Van… dit gesprek?’
Afwachting, in stilte.
‘Nou,’ zeg ik, en ik voel dat ik slikken moet, ‘er was een gat in de krant verschenen en mij werd gevraagd of ik jou – pardon, u – nee jou – wilde interviewen.’
Verontwaardigd: ‘Stond ik op een reservelijst, of zo.’
‘Ik denk het,’ zeg ik maar.
‘Heb je wel mijn boeken gelezen? Niets vervelenders dan een interviewer die je werk niet kent, maar dat hoef ik jou niet uit te leggen.’
‘Ik vond het hoofdstuk over de middenklasse méésterlijk,’ zeg ik, ferm en op de gok, met het gewenste resultaat. Toch ben ik ineens niet meer gerust op de goede afloop van dit gesprek, dat ik ook al niet meer kan opnemen, want m’n telefoon is zojuist gestorven.
‘Speaking of middenklasse,’ zegt Schimmelpenninck. ‘Nog even over jouw restaurantkeuze, hè. Dus jij kent mij, van mijn reputatie, en omdat je je huiswerk natuurlijk goed hebt gedaan, en denkt dan: die jongen is van adel en houdt van conscious fine dining, terwijl ik dan gelijk denk: nee, pizza. Dat is iets heel typerends.’
Gelukkig, daar is de Perrier al.
Schimmelpenninck begint te vertellen over zijn eigen pizzeria van destijds, de Pink Flamingo, en over de verschillende soorten mensen die je als horecabaas in Amsterdam te bedienen hebt. Mannen en vrouwen, toeristen en locals, finance en creative, rijk en arm – slim en dom. ‘Slimme mensen houden van no-nonsense en eten om het eten, niet om over het eten te práten. Domme mensen dènken dat ze van no-nonsense houden en gaan dat dan na zitten doen, en vallen zo door de mand. Je moet dat zien als jaloezie. Mode beweegt altijd top-down, en dan van down weer up.’
Ik werp een blik op mijn notitieblok – Wat is je lievelingseten? – en merk dat ik reddeloos om me heen wil kijken. Kan ik toch nog iets te drinken krijgen?
Schimmelpenninck pakt het A4 waarop de menukaart geprint is, en begint te lezen. ‘Met een pizza komijn en een pizza beenmerg kwam je in mijn tijd nog niet weg. Ik zou, als ik nu weer iets zou openen, gaan voor een concept dat over vijf jaar mainstream is en daar dan een classic van maken. Als ondernemer moet je weten wat leeft in de maatschappij, en moet je de durf hebben om risico’s te nemen.’
De eigenaar zet een plank met breekbrood op tafel, met zeewierboter en een botermes, maar zonder broodmes. Kut. Ik heb er alweer een hele survivaltocht door de openbare ruimte op zitten, en m’n handen al even niet gewassen. Nu weglopen is raar, want ik heb zijn hand net geschud. Wat te doen, wat te doen.
‘… maar in Nederland houden we sowieso niet zo van moraliteit. We leven wat dat betreft echt in een tijd waarin de domheid regeert, dat zag ik gek genoeg in nadat ik De slimste mens won. Mensen zijn boos op de wereld, omdat ze de wereld niet meer begrijpen, en worden boos als ik ze dom noem. Ik ben in mijn leven nog nooit dom genoemd. Schrijf je wel mee? Je neemt het gesprek ook al niet op, zie ik. En je hebt het brood nog niet aangeraakt. Jij denkt misschien dat dat elitair is, bedanken voor het voorgerecht, maar het is juist heel onbeleefd om iets van het huis te weigeren.’
‘Wijn,’ hoor ik mezelf ineens duidelijk zeggen, alsof ik de oplossing van een wetenschappelijk probleem heb gevonden.
‘Wijn?’ herhaalt Schimmelpenninck bedenkelijk, een half octaaf hoger.
‘Wijn.’
‘Drinken onder werktijd?’ zegt hij, nog weer hoger, nog weer bedenkelijker.
Wat was Christopher Hitchens’ stelregel ook alweer? At luncheon, perhaps half a bottle of red wine. Not always more but never less.
Ik pak het A4 erbij en zoek tussen de schaarse drank- en spijsinformatie naar druivennamen. Schimmelpenninck lacht in zichzelf, en ik ben ineens nergens meer zeker van, behalve van de kosmische noodzaak om dat glas voor mij zo snel mogelijk tot aan de rand vol te krijgen.
Mijn tafelgenoot denkt mij te zien worstelen en schiet te hulp: ‘Je kunt ook naar de gróte wijnkaart vragen. Gewoon even naar de ober toe lopen.’
‘Wat zou jij nemen?’ vraag ik. (Als-ie het allemaal zo goed weet.)
‘Als ik het zelf niet zou weten, dan zou ik de sommelier erbij halen. Daar zijn ze voor, hè?’
Wat schreef Hitchens nou nog meer? Cheap booze is a false economy. Waarom ook niet, de krant betaalt. Niet de duurste fles, wel de op één na duurste.
Ah, daar is de ober al.
‘Oké, dus de bourgogne uit 2014, en één glas?’ controleert de nerveuze jongen met de geoliede baard en de nektekening van het spaarvarken met afgezakte kerstmuts. Hij kijkt ter bevestiging naar Schimmelpenninck, die met zijn handen een spreidende beweging maakt die zoveel moet zeggen als: aan mijn kant van de tafel geen polonaise.
Ik blaas met gebolde wangen uit door m’n mond. Ik heb nog geen kwoot opgeschreven, en we hebben nog niet één keer gelachen. Hoe doen mijn collega’s dit?
De ober komt terug.
Wil ik proeven?/Nee hoor, giet d’r maar in.
‘Om nog even terug te komen op privilege,’ zegt Schimmelpenninck. ‘Ik zie dus bijvoorbeeld aan het accent van je lichaamstaal, dat je trouwens duidelijk probeert te verbergen en wat dus eigenlijk des te luider doorklinkt – nou ja, goed, daaraan zie ik dus dat jij nu op mij een indruk probeert te maken, omdat je denkt: die jongen is van adel en doet heel netjes, en tegenover adel heb je je te gedragen, maar dat is een misverstand. Ik ben dus opgegroeid in Twente, op een landgoed, dat wel, waarvan mensen zoals jij waarschijnlijk denken, en dat moet je niet verkeerd opvatten, hoor – waar kom je eigenlijk vandaan?’
‘Harderwijk.’ (Niet eerder stond de Parel van de Veluwe in zulk ongunstig daglicht.)
‘Goed, mensen uit Harderwijk. Die moeten dat echt niet onderschatten, hoor – een landgoed onderhouden. Maar ja, nee, wat ik dus wilde zeggen: ik ging ook gewoon op de fiets naar school, en at thuis boterhammen met pindakaas, en in de winter droegen we drie, soms wel zeven truien over elkaar heen om de stookkosten laag te houden. Er was weinig te eten, we mochten niet iets zomaar weggooien, er werd gerecycled voordat dat in de mode was. Sokken werden gestopt, oude kleding vermaakt. We dronken gewoon oploskoffie en als er bezoek kwam, dan smeerden we weleens crackers met hondenpaté. Die wereld ken jij dan gek genoeg weer helemaal niet, want jij bent opgegroeid in tijden waarin de middenklasse zich nog nooit zó rijk heeft mogen rekenen. Wanneer ben jij geboren?’
‘Drie-en-negentig.’
‘Precies wat ik zeg. Wat heb jij gestudeerd? Hbo journalistiek, zeker.’
‘Mbo. Lassen en solderen.’
Ik pak mijn wijnglas stevig beet bij de kom en neem twee, drie, vier flinke slokken, en moet aan mijn dode vader denken, die zich uit principe nooit aan iemand voorstelde, wegliep uit gesprekken die hem niet zinden, en in gezelschap gerust boeren en winden liet, en daar een zekere trots en beslist veel plezier aan ontleende.
Godzijdank, daar zijn de pizza’s. Bij Schimmelpenninck liggen er vergeten en uitgezaaide groenten op, die van mij oogt als het moerassig veenland dat Drenten een vledder plegen te noemen, en ruikt er ook naar.
Ik moet weer denken aan die keer dat Karel van het Reve in Moskou Aziatisch met uien had gegeten, en vervolgens op weg naar een cocktailparty darmproblemen kreeg, maar nergens een openbaar toilet kon vinden, en zichzelf had ondergescheten. Wanneer had ik mijzelf ook alweer voor het laatst ondergescheten? Het was de drempel van mijn eigen voordeur geweest, ik weet het weer. Ik had mijn broekspijpen nog kunnen dichtknijpen en zonder al teveel afval in de hal achter te laten de badkuip kunnen bereiken. Kleding en schoeisel waren onbruikbaar geraakt.
‘Hou jij van stront?’ vraag ik, en bestudeer het grijze strooisel op mijn pizza van dichterbij.
Schimmelpenninck kijkt me aan of-ie het ook ruikt – de veenlucht.
‘Adel lacht om stront,’ weet ik.
Sander Schimmelpenninck niet.
Hij herpakt zich, triomfantelijk: ‘Zo, de pizza met eiernok en geitenas, dus. Die bedoelde je toch ook, toen je je bestelling opgaf?’
Ik weet zeker dat ik niet heb besteld wat ik bedoelde, en Schimmelpenninck ziet het ook. Hij glundert er nog net niet bij, en wil er graag iets van zeggen, maar doet het niet. In plaats daarvan begint hij opzichtig met mes en vork te eten, maar niet voordat hij zijn stoel iets van de tafel heeft weggedraaid, zijn ene been over het andere heeft geslagen, en over zijn schoot een servet heeft neergespreid.
Het punt dat ik niet meer weet wat links en rechts is is weer eens bereikt, en ik wissel tweemaal van bestek, voordat ik de roeispanen op tafel laat vallen, en met m’n handen begin te peddelen.
Schimmelpenninck, voor de derde keer aan het oreren geslagen over erfbelasting (z’n vaste stokpaardje), valt stil en kijkt mij aan met hernieuwd ontzet.
Dit is het moment. Nu moet ik de leiding nemen.
‘Wat ben je nou waard?’ vraag ik, met consumptie.
Zijn ogen twinkelen, maar hij geeft zich niet over aan mijn vleierij. ‘Die vraag krijg ik wel vaker, ja. Kijk, rijkdom kun je uitdrukken in liquide middelen en in bezit – “activa” en “passiva” met een moeilijk woord, – maar het zit hem bijvoorbeeld ook in zaken als merkwaarde, en vr–’
‘Hoeveel poen staat er op je rekening?’
Ik veeg kaasdraden van m’n gezicht.
‘Praten over geld is ordinair, zeker aan tafel.’
‘Je kwam er al jong achter dat je goed kon schrijven,’ merk ik op. ‘Wat heb je dan op tv te zoeken?’
‘Een zekere… roeping. Toch wel. Ik ben oprecht begaan met de problemen in ons land, en wil een bijdrage leveren aan de oplossingen. In mijn column voor de Volkskrant van deze week schrijf ik bijvoorbeeld dat d–’
‘Ja-ja, en als het in de Volkskrant staat, dan is het waar. Zeg, jouw mentor, Gert Kolder, heeft eens over jouw gezegd–’
‘Jort Kelder, bedoel je?’ zegt hij, ineens zeer streng. (Hij schrikt er zelf van.)
‘Potato, potahto. Kelder zegt dat jij –’
Met een dreun loopt iemand tegen onze tafel op. Mijn vormende jaren als vakkenvuller van elf verschillende supermarktfilialen [ik heb motorische reflexen ontwikkeld waarmee ik een pak melk dat meters verderop uit een koelschap valt tijdig kan opvangen] betalen zich terug: ik hang onder de tafel met het glas wijn in de andere hand en de fles in de hand. Geen druppel gemorst.
Boven tafel is Sander Schimmelpenninck in een horrorfilm beland. Een groene drek loopt over hem heen – alles zit onder. Naast ons staat een toeriste (Spaans, zo te zien) met haar ene hand voor haar mond, en met in haar andere een beker van doorzichtig plastic, waar matcha-thee in zat.
Schimmelpenninck is overweldigd door een emotie die zich niet anders laat omschrijven dan walging, en is ook bevroren, alsof hij op een lakei wacht – die zowaar aan komt rennen, met bossen servetten.
Ontregeling, precies wat dit interview nodig heeft. Ik ledig mijn glas en vul het bij met nieuwe arbeidsvitaminen. Wat zou Kuifje nu doen?
Schimmelpenninck doet zijn horloge af en legt het op tafel neer, en begint zichzelf samen met de eigenaar schoon te deppen, al het is meer uitsmeren en inwrijven dan reinigen. Ik raap het horloge op. Op mijn eigen servet, zowaar niet groen, breng ik een beetje speeksel aan. Ik poets het horlogeglas schoon, en ook het zilver van de kast. Ik spuug, op het glas zelf (dik, kazig speeksel), en poets nogmaals – grondiger.
‘Is dit een echte?’ vraag ik, en houd de klok omhoog.
Sander Schimmelpenninck herpakt zich, en ik zie wat hem tot zo’n succesvolle media-ondernemer maakt. ‘Matcha is Japanse groene thee,’ zegt hij deskundig – na excuses, toegezegde stomerijvergoeding plus het telefoonnummer van zijn Spaanse belaagster. Hij vervolgt, alsof er nooit wat gebeurd is: ‘In Zweden wordt veel geëxperimenteerd met algen. Lotta [zijn vriendin, Zwedens enige vrouwelijke oestervisser, red.] kent deze business goed. Ze levert aan toprestaurants in Götenborg. Zij doet eigenlijk voor de horeca daar wat ik doe voor de Nederlandse media hier.’
‘En wat is dat?’
‘Beetje opvoeden.’ Schimmelpenninck knipoogt.
Hoewel we net een nieuwe, schone tafel hebben gekregen, voel ik dat dat we gaan afronden. Eerst moet de geïnterviewde nog iets kwijt; hij heeft een primeur. (Je bent mediaman of je bent het niet.) Hij komt met een eigen parfumlijn, de lancering vindt later dit jaar plaats in Stockholm. Verwachtingsvol kijkt hij naar mijn schrijfhand, die uitgerekend nu niet schrijft.
‘Hoe gaat het heten?’ vraag ik.
‘Daar kan ik helaas nog niets over loslaten.’
‘Schimmel,’ zeg ik, een ludieke tegemoetkoming, maar toch ook de oprechte wens voor andermans zakelijk welslagen.
Schimmelpennincks gezicht vertrekt, en niet zoals eerder. Ik voel dat ik een grens over ben gegaan, maar welke?
‘Weet je… wat jij nu zegt, hè – dat is echt TYPISCH iets wat mis is met deze tijd.’
Een groene Sander Schimmelpenninck slaat hard met zijn platte hand op het tafelblad. Bestek en glaswerk rinkelen, en ik schrik ervan, en de tafel naast ons ook. Europizza is stil en houdt de adem in.
‘Het is ALLEMAAL cynisme, er is geen enkele inhoud meer! Alles is maar ironisch. Ironisch, ironisch, ironisch! Maar achter die ironie zit geen ènkele betrokkenheid. Wie denk jij eigenlijk wel niet dat je bent, een beetje hier de joker gaan zitten uithangen? Wie heeft jou eigenlijk aangenomen?’
‘Hans,’ zeg ik. (Rustig blijven, kop op ijs. Denk om je honorarium.)
‘En wat denken ze daar bij die krant wel niet? Hoe hálen ze het in hun hoofd om iemand zoals jij op mij afsturen?’
‘Iemand… zoals ik?’ zeg ik, me nog van geen kwaad bewust.
‘Een – KEVIN!’
De aha-erlebnis dient zich aan als een steen in een stille vijver. Mijn voornaam, een verengelste variant van het Ierse Caoimhín – dat “rechtopstaand” en “nobel” betekent – roept in Nederland wel vaker emoties op. Ik leg de schuld bij de Amerikanen, die in het bestek van mijn levensloop een culturele clownwagen met delinquenten, volidioten en beroepsmongolen hebben afgeladen, van wie de Kevin uit The Office en de zeekomkommer uit Spongebob Squarepants in elk geval nog charismatisch zijn.
In de VS, waar de Kevins Spacey en Costner momenteel dezelfde miljoenen jongens die naar hen zijn vernoemd achter zich aan door het slijk van hun zedenzaken moeten trekken, schijnt de naam inmiddels bekend te staan als ‘the male Karen’. Een Britse diplomaat met wie ik aan de bar van het New Ambassador Hotel in Harare van gedachten wisselde over dit fenomeen merkte toen op: ‘It’s because it’s a good yelling name’.
Schimmelpenninck raast door en de eigenaar staat in de keuken met zijn handen in het haar. ‘… en je hebt duidelijk geen IDEE wat je aan doen bent. Lees jij weleens een krant? Weet je überhaupt waar deze rubriek vandaan komt? Ken je klassiekers!’
‘Klassieken,’ zeg ik zacht.
‘Wat?’ snauwt hij.
‘Het is: ken uw klassieken. Niet klassiekers.’
Even denk ik paniek in de ogen van Sander Schimmelpenninck te zien. Hij wordt kleiner, en kijkt zoekend – omgevingsbewust, bijna schuldbewust – om zich heen, en laat zijn blik op tafel rusten. Hij begint aan het etiket van zijn flesje Perrier te pulken, en een machteloos gevoel, een mengsel van medelijden en schuld, kaapt mijn hele wezen. Ik had nooit moeten komen.
Zou het kunnen zijn dat Sander zelf Kevin had willen heten?
De rekening, Europizza, Amsterdam
Dubbele espresso €3,75
Perrier (2x) €7
Pizza jaap €15
Pizza pardoes €20
Bourgogne rouge (2014) €160
Totaal €205,75
N.B. Dit gesprek heeft nooit plaatsgevonden en de tekst is geheel buiten weten en dus niet in opdracht van Het Financieele Dagblad gemaakt.



Ik weet niet wat grappiger is, dit satirische interview of het idee dat mensen denken dat dit echt is (en nu serieus ervan overtuigd zijn geraakt dat ze bij de Schimmelpenninckjes vroeger thuis crackers met hondenpaté aten).
Heerlijk Kevin, tranen met tuiten gelachen hier - wat kan jij toch jaloersmakend lekker schrijven.
Heerlijk